Een voertuigvolgsysteem kan stoppen met rapporteren wat ertoe kan leiden dat informatie in Reveal ontbreekt of onjuist is. Dit wordt soms aangeduid als niet-responsieve eenheid (NRU).
Als dit gebeurt, gebruik dan de volgende probleemoplossingstechnieken om uw voertuig weer te laten rapporteren. Stappen voor probleemoplossing kunnen variëren, afhankelijk van het soort apparaat in uw voertuig. Dit artikel heeft betrekking op het voertuiggegevenssysteem (VDD).
Raadpleeg Bekijk de "Lijst met wagenpark en apparaten" om erachter te komen welk soort apparaat zich in uw voertuig bevindt. Voor XT (Xirgo), CalAmp of Raliacom gebruiken voertuigvolgsystemen een van de volgende items:
XT (Xirgo)-voertuigvolgsysteem rapporteert niet naar Reveal (foutcode: NRU)
CalAmp-voertuigvolgsysteem rapporteert niet naar Reveal (foutcode: NRU)
Raliacom-voertuigvolgsysteem rapporteert niet naar Reveal (foutcode: NRU)
U kunt een voertuigvolgsysteem dat niet rapporteert, vanaf twee plekken in Reveal opnieuw opstarten.
-
Als er een apparaatfout wordt gedetecteerd, kunt u het volgsysteem opnieuw opstarten op de pagina Apparaatgegevens in de lijst met wagenpark en apparaten.
-
Als er geen fout gedetecteerd wordt maar u moet het volgsysteem nog wel opnieuw opstarten, kunt u dit doen in het scherm Apparaatcontrole op Live kaart
Probeer het voertuig te starten. Als een voertuig lange tijd niet is gebruikt, kan de batterij leeg zijn waardoor het voertuigvolgsysteem niet meer van stroom wordt voorzien.
Als het voertuig kan starten maar een tijd geparkeerd heeft gestaan, kan het apparaat in de slaapmodus staan. Het rijden met het voertuig activeert het apparaat waarna het weer kan rapporteren.
Voertuigvolgsystemen hebben zowel dekking van een mobiel netwerk als van een gps-netwerk nodig om juist te rapporteren.
Bekijk de voertuigstatus op Live kaart. Als u het pictogram Geen signaal ziet, kan het voertuig buiten het bereik van een mobiel netwerk zijn. Dit kan veroorzaakt worden doordat het voertuig door een tunnel rijdt, een ondergrondse parkeergarage binnenrijdt of als het voertuig rijdt door een gebied zonder mobiel netwerk zoals een woestijn of nationaal park.
Voertuigvolgsystemen moeten communiceren met gps-satellieten en het mobiele netwerk. Als het volgsysteem gemonteerd is onder of bedekt wordt door metalen voorwerpen in het dashboard van een voertuig, kan dit het gps-signaal verstoren.
Als het voertuig in een gebouw met een metalen dak, een ondergrondse parkeergarage of een gebied met hoge gebouwen staat, kan dit de gps-signalen verstoren.
De hoofduitschakelknop voorkomt dat de startaccu leeg wordt getrokken door de apparatuur van uw voertuig wanneer de motor is uitgeschakeld.
Als de hoofduitschakelknop te snel wordt geactiveerd, kan dit op de volgende manieren invloed hebben op het volgen van voertuigen:
-
Het voertuig wordt weergegeven als stationair op de Live kaart wanneer de motor is uitgeschakeld.
-
Live kaart toont alleen de laatste beweging van het voertuig, dit kan afwijken van de werkelijke locatie.
Als u dit wilt voorkomen, moet u ten minste 90 seconden wachten nadat u het voertuig uitschakelt voordat de hoofduitschakelknop ingeschakeld kan worden. Hierdoor kan het volgsysteem het rapport afronden.
Volg deze stappen om de verbindingen op uw voertuiggegevenssysteem te controleren:
OBD-II
-
Zet het voertuig uit.
-
Koppel de VDD los van de OBD-II en wacht vijf minuten. Zo kan het voertuiggegevenssysteem de resterende laadspanning kwijtraken.
-
Sluit het apparaat opnieuw aan terwijl het voertuig nog uit staat. Wacht tot u een pieptoon hoort. Start het voertuig niet.
Opmerking
Als u geen pieptoon hoort, probeer het dan nog eens en verzeker u ervan dat u het goed hebt aangesloten. Als er nog steeds geen pieptoon klinkt, sluit de VDD dan aan op een ander voertuig. Als het in een ander voertuig wel een pieptoon geeft, heeft de OBD-II-poort in het eerste voertuig mogelijk onderhoud nodig.
-
Wacht vijf minuten voordat u het voertuig start.
-
Start het voertuig en laat het nog eens vijf minuten stationair draaien.
-
Ga ermee rijden en geef de eenheid even tijd om online te komen en in het systeem te rapporteren.
Y-kabel
Voor aansluitingen met de Y-kabel zijn er verschillende oorzaken mogelijk waardoor een voertuig stopt met rapporteren.
Controleer de verbinding met de OBD-II-poort
-
Koppel de kabel los van de OBD-II-poort van het voertuig en sluit deze weer aan.
-
Als het voertuiggegevenssysteem piept, ontvangt het stroom.
-
Als het geen pieptoon geeft, controleer dan de kabelverbinding.
Controleer de verbinding met het voertuiggegevenssysteem
-
Zet de motor uit.
-
Koppel het voertuiggegevenssysteem los van de kabel en wacht vijf minuten.
-
Sluit het systeem weer aan op de kabel.
-
Als de VDD een pieptoon geeft, ontvangt deze stroom. Zet de VDD opnieuw vast met kabelbinders als u deze hebt verwijderd.
Als het systeem geen pieptoon geeft, controleer dan de kabel.
Voertuigen met een OBD-II-poort
Controleer de spanning van de poort met behulp van een digitale multimeter. Wanneer u de spanning controleert met een digitale multimeter, moet u ervoor zorgen dat de probes van de multimeter tegelijkertijd contact maken met de aarde- en de stroompennen.
De spanning bij de OBD-II-poort moet 12 Volt of hoger zijn.
-
Gebruik Pin 16 om de spanning van de accu te testen.
-
Gebruik Pin 4 om de spanning tussen de OBD-II chassis en aarde te testen.
De OBD-II-poort is normaalgesproken gezekerd op het circuit van de sigarettenaansteker; controleer deze zekering en vervang deze als deze doorgebrand is.
Als de OBD-II-poort +12V weergeeft maar het apparaat krijgt geen stroom, controleer dan de geïntegreerde zekering van de Y-kabel en vervang deze als deze doorgebrand is.
Als de aarding chassis niet beschikbaar is op Pin 4 van de OBD-II-connector, zorg dan dat de kabel aan de negatieve accuterminal goed vast zit en dat er geen sprake is van corrosie. Ook is het verstandig om de lijnen tussen de chassis en aarding onder de kap te controleren.
Zodra u al deze stappen hebt uitgevoerd en het voertuig rapporteert nog steeds niet, kunt u contact opnemen met de klantondersteuning. Zij kunnen verdere probleemoplossing uitvoeren en indien nodig een monteur inschakelen.
Voordat u de klantondersteuning belt, moet u de volgende informatie bij de hand hebben:
-
Voertuignaam en voertuig-ID
-
Datum en tijd van het laatste rapport
-
ESN van het volgsysteem (indien mogelijk)
-
Naam van de contactpersoon
-
Adres van de locatie van het voertuig waar de monteur de installatie kan controleren.
Als u toegang heeft tot het voertuig, moet u ervoor zorgen dat de motor aan is zodat de klantondersteuning verdere controles kan uitvoeren.